Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein Rapport
Asten, geraadpleegd op 19-10-2021

Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein Rapport

Asten, geraadpleegd op 19-10-2021

Inleiding

Gemeenten voeren sinds 2015 hun eigen beleid in het sociaal domein. De ambities achter de drie decentralisaties zijn onverminderd groot. Gemeenten kennen hun inwoners en de lokale situatie. Zij kunnen daardoor voorkomen dat problemen uit de hand lopen. Door vroegtijdig in te grijpen streven gemeenten ernaar om, waar mogelijk, specialistische en dure hulp terug te dringen. Zij zijn in staat maatwerk te leveren en kunnen integraal werken, zodat gezocht kan worden naar achterliggende oorzaken van problematiek.

Met dit rapport kunt u zich een beeld vormen van de situatie in uw gemeente. Hoeveel inwoners kunnen toe zonder ondersteuning en hoeveel doen een beroep op de voorzieningen in het sociaal domein? En in welke mate doen zij dat? Zijn er trends zichtbaar? Hoe is de situatie in uw gemeente in vergelijking tot die in andere gemeenten? De behoefte aan inzicht in deze factoren is alleen maar groter geworden sinds de COVID pandemie en deze monitor kan helpen om inzicht te krijgen in de impact op het zorgaanbod en geleverde zorg in uw gemeente.

Samen met de verhalen van inwoners, medewerkers, andere gemeenten en experts beschikt u zo over informatie waarmee u leer- en ontwikkelprocessen in uw gemeente kunt stimuleren. Voor meer inspiratie en informatie over de manier waarop u monitoring en leerprocessen kunt inrichten, verwijzen wij u naar de Etalage monitoring sociaal domein. Hier vindt u inspirerende voorbeelden van andere gemeenten.

In dit rapport worden altijd de meest recente cijfers gepresenteerd. Cijfers van voorgaande jaren zijn terug te vinden in de database. Dit rapport kan gedownload en geprint worden via de pictogrammen in het Viewer-bestand dat geopend wordt via waarstaatjegemeente.nl.

Ter inzicht van de gebruikte begrippen in de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD) is een definitielijst opgesteld. Ook is er een indicatorenoverzicht opgesteld, met achtergrondinformatie bij de indicatoren in dit rapport. Beide lijsten opent u door op de link te klikken of via www.vngrealisatie.nl.

Inhoud

Naast dit rapport, bestaat de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein uit een dashboard, een rapport beschermd wonen, een wijkprofiel en een database. In het dashboard kunt u uw gemeente vergelijken met elke andere gewenste gemeente, regio, etc. Het rapport beschermd wonen geeft aanvullende informatie over dit thema op het niveau van de centrumgemeente beschermd wonen. In het wijkprofiel vindt u informatie over het sociaal domein uitgesplitst naar de wijken binnen uw gemeente. In de database vindt u diepgaandere uitsplitsingen en vindt u de halfjaarcijfers over voorgaande perioden alsmede de jaarcijfers. Dit rapport bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Huidige situatie
  • Ontwikkelingen per domein
  • Uitgangspositie
  • Resultaten
  • Achtergronden bij de cijfers

Actualisatie van de data

De gegevens over de Participatiewet (paragraaf 2.8 en 2.9) en re-integratie (paragraaf 2.10 en 2.11) van het eerste kwartaaal 2021 zijn toegevoegd.

Ruimte voor toelichting

Het is voor iedere deelnemende gemeente mogelijk om in het rapport op de getoonde cijfers een feitelijke toelichting te geven. Hierdoor kunnen gebruikers van de monitor de informatie beter interpreteren en gebruiken. Het is niet verplicht een feitelijke toelichting te geven. Er is een handleiding beschikbaar voor het schrijven en publiceren van een feitelijke toelichting. Als uw gemeente op een onderdeel een toelichting heeft gegeven, staat deze voorafgaand aan hoofdstuk 1 'Huidige situatie'.

1. Huidige situatie

Hoeveel inwoners doen een beroep op de individuele voorzieningen in het sociaal domein en hoeveel redden zich zonder? Wat valt op in vergelijking met andere gemeenten? In dit deel ziet u het aantal en de samenstelling van de huishoudens in uw gemeente. Vervolgens ziet u in hoeverre huishoudens gebruik maken van de verschillende vormen van ondersteuning in het sociaal domein (Jeugdzorg, Wmo en Participatiewet).

Aantal huishoudens

Op 1 januari 2021 telde gemeente Asten 16.817 inwoners en 7.220 huishoudens. Een gemiddeld huishouden in Asten bestaat uit 2,33 personen. In vergelijkbare gemeenten (op grond van de referentiegroep in dit rapport) is dit gemiddeld 2,34 personen per huishouden.

1.1 Samenstelling huishoudens

Figuur 1.1: Het aantal huishoudens in vergelijking met de referentiegroep (per 1.000 huishoudens), 2021.

Gebruik van voorzieningen

In de gemeente Asten waren er in tweede halfjaar 2020 168 huishoudens per 1.000 inwoners met een voorziening in het sociaal domein.

1.2 Huishoudens zonder en met zorg en ondersteuning

Figuur 1.2: Het percentage huishoudens zonder en met zorg en ondersteuning ten opzichte van het totaal aantal huishoudens, in vergelijking met de referentiegroep (in procenten), tweede halfjaar 2020.

Extra toelichting: Onder zorg en ondersteuning worden de individuele voorzieningen verstaan op grond van de Wmo, de Jeugdwet en/of de Participatiewet. Informatie over algemene voorzieningen is niet beschikbaar.

De volgende figuren geven de stapeling van voorzieningen in het sociaal domein weer. Onder stapeling wordt de samenloop van meerdere voorzieningen op hetzelfde moment verstaan.

1.3 Stapeling per voorziening

Figuur 1.3: Het huidige aantal huishoudens met zorg en ondersteuning per aantal voorzieningen ten opzichte van de referentiegroep (per 1.000 inwoners), tweede halfjaar 2020.

Extra toelichting: Huishoudens kunnen meerdere voorzieningen naast elkaar ontvangen. Dit figuur toont het aantal voorzieningen dat een huishouden ontvangt, waarbij er geen onderscheid is gemaakt tussen de verschillende wetten. Het cijfer is met andere woorden gebaseerd op de som van het totaal aantal voorzieningen per huishouden. Voor een indicatie van huishoudens die voorzieningen uit meerdere wetten tegelijkertijd ontvangen, zie figuur 1.4.

1.4 Stapeling per domein

Figuur 1.4: Het huidige aantal huishoudens met zorg en ondersteuning per domein ten opzichte van de referentiegroep (per 1.000 inwoners), tweede halfjaar 2020

Extra toelichting: Huishoudens kunnen een combinatie van voorzieningen ontvangen uit de verschillende wetten in het Sociaal Domein (Jeugdwet, Wmo2015 en Participatiewet). Dit figuur toont het aantal huishoudens dat een voorziening uit één of meerdere wetten ontvangt. Voor een indicatie van het totaal aantal voorzieningen dat een huishouden ontvangt, zie figuur 1.3.

2. Ontwikkelingen per domein

In dit deel vindt u ontwikkelingen per domein. Deze meer specifieke informatie kunt u gebruiken om nader te onderzoeken en te bespreken in hoeverre er verschuivingen ontstaan tussen de verschillende vormen van ondersteuning. Is er bijvoorbeeld sprake van verschuivingen tussen verschillende vormen van zorg? En als er sprake is van een afname van de ene vorm van ondersteuning, komt daar dan andere ondersteuning voor in de plaats?

Jeugd

2.1 Ontwikkeling van het percentage jongeren met Jeugdzorg-trajecten

Figuur 2.1: Ontwikkeling van het percentage jongeren met Jeugdzorg-trajecten (in procenten).

Extra toelichting: Jongeren tot 18 jaar komen in aanmerking voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Jongeren van 12 tot 23 jaar kunnen een jeugdreclasseringsmaatregel opgelegd krijgen. Veel jeugdzorgtrajecten lopen aan het einde van een kalenderjaar af. Dit kan van invloed zijn op de eventuele verschillen tussen de halve jaren.

2.2 Aantal jongeren met Jeugdzorg-trajecten vergeleken

Figuur 2.2: Jongeren met Jeugdzorg-trajecten in vergelijking met de referentiegroep (per 1.000 jongeren). De cijfers van jeugdhulp en jeugdbescherming zijn ten opzichte van alle jongeren tot 18 jaar. Het cijfer van jeugdreclassering is ten opzichte van het aantal jongeren van 12 tot 23 jaar, tweede halfjaar 2020.

Wmo

In de gemeente Asten waren er in het tweede halfjaar 2020 980 unieke cliënten met een maatwerkarrangement Wmo. Binnen de Wmo wordt onderscheid gemaakt tussen een voorziening via een Persoonsgebonden Budget (PGB) en een voorziening via Zorg in Natura (ZIN). Bij een PGB kan de cliënt zelf beslissen wie de zorgverlener wordt, terwijl dit bij een ZIN indicatie door de gemeente wordt bepaald. Van alle cliënten in de gemeente Asten, heeft 20 een PGB, 920 een ZIN en 40 een combinatie van PGB en ZIN. Bij een combinatie van PGB en ZIN kan het zowel gaan om cliënten die gelijktijdig PGB en ZIN ontvangen, maar ook om cliënten die in de betreffende tijdsperiode zijn overgestapt van de ene naar de andere leveringsvorm.

2.3 Ontwikkeling van het aantal inwoners met Wmo-voorzieningen

Figuur 2.3: Ontwikkeling van het aantal inwoners met individuele Wmo-voorzieningen (absoluut), uitgesplitst naar type voorziening en het totaal.

Extra toelichting: Inwoners kunnen gebruik maken van meerdere voorzieningen. Per categorie wordt een inwoner slechts één keer meegeteld, ook als de inwoner gebruik maakt van meerdere voorzieningen binnen die categorie (bijvoorbeeld een rolstoel en een vervoervoorziening). Maakt een inwoner gebruik van voorzieningen uit verschillende categorieën (bijvoorbeeld dagbesteding en hulp in het huishouden) dan telt de inwoner in beide categorieën mee. In het totaal telt elke inwoner slechts één keer mee. Het totaal aantal inwoners met een voorziening kan dus afwijken van de opgetelde totalen per categorie.

Onder 'verblijf en opvang' wordt verstaan; opvang, spoedopvang, beschermd wonen en overige beschermd wonen en opvang. Informatie over 'beschermd wonen’ kan alleen door de 43 centrumgemeenten worden aangeleverd (zie 2.7). Als cijfers omtrent ‘beschermd wonen’ door een regiogemeente worden aangeleverd, dan worden deze niet weergegeven in bovenstaande tabel. Zie het rapport beschermd wonen voor aanvullende informatie over dit thema. Zie de definitielijst voor meer informatie over de verdeling van voorzieningen over de vier categorieën.

2.4 Aantal inwoners met Wmo voorziening per categorie

Figuur 2.4: Aantal inwoners met Wmo-voorzieningen per categorie in vergelijking met de referentiegroep (per 1.000 inwoners), tweede halfjaar 2020.

Extra toelichting: Naast de vier hoofdcategorieën (te weten Ondersteuning thuis, Hulp bij het huishouden, Verblijf en Opvang & Hulpmiddelen en Diensten) worden gemeenten gevraagd om geleverde Wmo voorzieningen verder in te delen in een van de 18 vooraf gespecificeerde productcategorieën. Gemeenten bepalen zelf onder welke categorieën ze de geleverde voorzieningen indelen. Hierdoor kunnen er grote onderlinge verschillen optreden in de uitsplitsing van voorzieningen op dit detailniveau, zoals in dit figuur is weergegeven. VNG Realisatie adviseert gemeenten mede daarom om een feitelijke toelichting toe te voegen aan dit rapport. Hierin kunnen onder andere de keuzes van gemeenten met betrekking tot de indeling van voorzieningen in de verschillende categorieën nader worden toegelicht.

In figuur 2.4 wordt een selectie getoond van de meest gebruikte categorieën. In de database vindt u tevens de cijfers van de overige acht categorieën: Overige ondersteuning individueel, Overige groepsgerichte ondersteuning, Overige maatwerkarrangementen, Beschermd Wonen, Opvang, Spoedopvang, Overige beschermd wonen en opvang, Overige hulpmiddelen. Voor meer achtergrondinformatie over deze indeling en categorieën, zie de definitielijst.

2.5 Gemeentelijk beleid naar type Wmo voorziening

20182019
Hulp bij huishoudenAlleen maatwerkvoorzieningenAlleen maatwerkvoorzieningen
BegeleidingAlleen maatwerkvoorzieningenAlleen maatwerkvoorzieningen
DagbestedingAlleen maatwerkvoorzieningenAlleen maatwerkvoorzieningen
Figuur 2.5: Gemeentelijk beleid naar type Wmo voorziening, 2018 en 2019.

Extra toelichting: Gemeenten wordt jaarlijks gevraagd om informatie te geven over het gekozen lokale beleid omtrent aanbieden van voorzieningen in het kader van de Wmo. Tot op zekere hoogte kunnen gemeenten zelf bepalen of Wmo-voorzieningen aangeboden worden als algemene- of maatwerkvoorziening. Gemeenten is gevraagd om per type voorziening aan te geven in hoeverre deze als algemene- of als maatwerkvoorziening wordt aangeboden. Een algemene voorziening zijn diensten of activiteiten binnen de Wmo die voor iedere inwoner van een gemeente beschikbaar zijn, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruiker. De gemeente kan hiervoor een bijdrage in de kosten vragen. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn een maaltijdservice of activiteiten in een buurthuis. Wanneer gemeenten een bepaalde voorziening niet aanbieden dan is 'niet van toepassing' ingevuld.

2.6 Aantal inwoners met Wmo-voorzieningen vergeleken

Figuur 2.6: Aantal inwoners met Wmo-voorzieningen in vergelijking met de referentiegroep (per 1.000 inwoners), tweede halfjaar 2020.

Voor meer achtergrondinformatie over deze indeling en categorieën, zie de definitielijst.

2.7 Aantal inwoners in beschermd wonen per regio

De gemeente Asten behoort tot de beschermd wonen-regio Helmond. Deze regio telt 460 inwoners in beschermd wonen. Dat zijn 2,6 mensen op 1.000 inwoners. Gemiddeld in alle regio's wonen 2,5 mensen op de 1.000 inwoners in beschermd wonen.

Cliënten met beschermd wonen tweede halfjaar 2020 - Centrumgemeenten
Figuur 2.7: Aantal inwoners in beschermd wonen in vergelijking met de andere regio's voor beschermd wonen (per 1.000 inwoners), tweede halfjaar 2020.

Extra toelichting: De uitvoering van beschermd wonen is belegd bij centrumgemeenten die voor alle inwoners in een regio de benodigde ondersteuning regelen. Vanaf 2016 leveren de centrumgemeenten de informatie over alle ‘beschermd wonen’-cliënten in de regio aan (zie de regioatlas). Voor de centrumgemeenten is deze data onderdeel van de halfjaarlijkse (maart en september) GMSD-aanlevering.

Voor extra informatie over beschermd wonen willen we u verwijzen naar het beschermd wonen rapport. Hierin is verdiepende informatie te vinden over onder andere cliëntkenmerken en inzicht in de verhuisbewegingen van cliënten beschermd wonen.

Participatiewet

2.8 Aantal inwoners met een bijstandsuitkering

tweede halfjaar 2019 eerste halfjaar 2020 tweede halfjaar 2020 eerste kwartaal 2021
Bijstand gerelateerde uitkering tot AOW-leeftijd 230 350 300 310
Bijstand gerelateerde uitkering vanaf AOW-leeftijd 20 20 10 10
Bijstandsuitkeringen 250 370 320 320
Figuur 2.8: Ontwikkeling van het aantal inwoners met een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (absoluut).

Extra toelichting: Bijstand gerelateerde uitkeringen tot de AOW-leeftijd zijn bijvoorbeeld de bijstandsuitkering voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en/of - gewezen zelfstandigen (IOAZ). Bijstand gerelateerde uitkeringen vanaf de AOW-leeftijd is bijvoorbeeld de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO).

2.9 Aantal inwoners met een bijstandsuitkering vergeleken

Figuur 2.9: Aantal inwoners met bijstandsuitkeringen op grond van de Participatiewet in vergelijking met de referentiegroep. Bijstandsuitkeringen per 1.000 inwoners 18 jaar en ouder, uitkeringen tot de AOW-leeftijd per 1.000 inwoners tussen 15-64 jaar, uitkeringen vanaf AOW-leeftijd per 1.000 inwoners van 65 jaar en ouder, eerste kwartaal 2021.

2.10 Aantal re-integratie-/participatievoorzieningen vergeleken

Figuur 2.10: Aantal re-integratievoorzieningen (per 1.000 inwoners 15-74 jaar) in vergelijking met de referentiegroep.

2.11 Aantal inwoners met re-integratie/participatievoorzieningen per categorie

Figuur 2.11: Aantal inwoners met re-integratie/participatievoorzieningen per categorie (per 1.000 inwoners 15-74 jaar) in vergelijking met de referentiegroep, Maart 2021.

3. Uitgangspositie

In elke gemeente is de situatie anders. In dit deel ziet u een aantal indicatoren die van invloed kunnen zijn op de benodigde zorg en ondersteuning. Zie voor meer achtergrondinformatie over de indicatoren de definitielijst of het indicatorenoverzicht.

Uitgangspositie

3.1 Leeftijdsopbouw

Figuur 3.1: Leeftijdsopbouw van de inwoners in vergelijking met de referentiegroep (in procenten), 2020.

3.2 Werkloze beroepsbevolking

Figuur 3.2: Werkloze beroepsbevolking in vergelijking met de referentiegroep (in procenten).

3.3 Werkloze jongeren

Figuur 3.3: Werkloze jongeren (16 t/m 22 jaar) in vergelijking met de referentiegroep (in procenten).

Uit onderzoek blijkt dat de onderstaande indicatoren goede voorspellers zijn voor het toekomstig gebruik van jeugdzorg-voorzieningen. Ook andere indicatoren zijn van invloed.

3.4 Voortijdig schoolverlaters

Figuur 3.4: Voortijdig schoolverlaters totaal (voortgezet onderwijs + MBO) in vergelijking met de referentiegroep (per 1.000 leerlingen betreffende doelgroep), 2019. Bron: DUO.

3.5 Leerlingen in het Speciaal Basisonderwijs

Figuur 3.5: Aantal leerlingen in het Speciaal Basisonderwijs in vergelijking met de referentiegroep (per 1.000 leerlingen 4-12 jaar). Bron: CBS

3.6 Kinderen in uitkeringsgezinnen

Figuur 3.6: Percentage kinderen tot 18 jaar die in een gezin leven dat van een bijstandsuitkering moet rondkomen, in vergelijking met de referentiegroep.

3.7 Kindermishandeling

Figuur 3.7: Aantal gestarte adviezen en ontvangen meldingen kindermishandeling (per 100.000 inwoners), tweede halfjaar 2020.

3.8 Kwetsbaarheid

Figuur 3.8: Een aantal indicatoren die een beeld geven over de mate van kwetsbaarheid van inwoners (van 18 jaar en ouder) in uw gemeente, in vergelijking met de referentiegroep, verschillende jaren. Bron indicatoren Psychische problematiek en Twee of meer aandoeningen: Vektis. Bron indicatoren Verminderde mobiliteit en Eenzaamheid: Gezondheidsmonitor GGD-GHOR/RIVM.

Extra toelichting: Zie voor meer achtergrondinformatie over de indicatoren de definitielijst en het indicatorenoverzicht.

4. Resultaten

Het is niet eenvoudig de maatschappelijke effecten van de verschillende inspanningen in het sociaal domein in kaart te brengen. In dit hoofdstuk vindt u een aantal indicatoren die een indruk geven van de bereikte resultaten.

4.1 Cliëntervaringsonderzoek Wmo

Er zijn geen recente resultaten beschikbaar over het cliëntervaringsonderzoek Wmo 2021 voor de gemeente Asten.

4.2 Inwoners van 70 jaar en ouder die zelfstandig of in een zorginstelling wonen

Op 1 januari 2021 wonen in gemeente Asten 2.620 inwoners van 70 jaar en ouder. Daarvan verblijven er 150 in een zorginstelling (eerste kwartaal 2021).

Figuur 4.2: Het aantal inwoners van 70 jaar en ouder die zelfstandig of in een zorginstelling wonen, (per 1.000 inwoners van 70 jaar en ouder), eerste kwartaal 2021.

4.3 Aantal inwoners naar reden beëindiging Wmo-voorzieningen

In het tweede halfjaar 2020 hadden 200 inwoners een beëindigde Wmo-voorziening, in het eerste halfjaar 2020 ging dit om 140 inwoners.

eerste halfjaar 2019 tweede halfjaar 2019 eerste halfjaar 2020 tweede halfjaar 2020
Totaal beëindigd 150 310 140 200
overlijden 20 10
levering volgens plan beëindigd 60 90
verhuizing naar andere gemeente
overig/onbekend 150 310 60 100
Figuur 4.3: Inwoners met een beëindigde Wmo-voorziening (absoluut).

4.4 Jongeren met een beëindigd Jeugdzorg-traject naar reden beëindiging

eerste halfjaar 2019 tweede halfjaar 2019 eerste halfjaar 2020 tweede halfjaar 2020
Beëindigd volgens plan 40 75 60 65
waarvan in overeenstemming 10 15
waarvan eenzijdig door cliënt
waarvan eenzijdig door aanbieder
waarvan wegens externe omstandigheden
Voortijdig afgesloten totaal 15 15
Figuur 4.4: Jongeren met een beëindigd Jeugdzorg-traject naar reden van beëindiging (absoluut).

Extra toelichting: Veel jeugdzorgtrajecten lopen aan het einde van een kalenderjaar af. Dit kan van invloed zijn op de eventuele verschillen tussen de halve jaren.

4.5 Kosten

Voor een goed beeld van de behaalde resultaten in het sociaal domein is ook inzicht in de gemeentelijke uitgaven (kosten) nodig. Sinds 1 januari is het abonnementstarief, een vast tarief voor de eigen bijdragen aan Wmo-voorzieningen, van kracht. Deze wetswijziging heeft gevolgen voor het beleid, de uitvoering, maar ook de financiën van gemeenten. De eventuele financiële gevolgen worden zichtbaar aan de hand van onderstaande figuur, waarin de begrote kosten worden afgezet tegen de gerealiseerde kosten.

Wmo-maatwerkvoorzieningen

Op grond van de Wet Wmo 2015 kennen gemeenten op de individuele situatie afgestemde ondersteuning toe zodat inwoners langer zelfstandig en actief kunnen leven. De begrote en gerealiseerde kosten voor Wmo-maatwerkvoorzieningen geven een indicatie van de uitgaven van gemeenten voor deze vorm van ondersteuning, exclusief uitvoeringskosten.

Begrote kosten 2019 Gerealiseerde kosten 2019
Hulp bij het huishouden 836 851
Ondersteuning thuis 1.371 1.519
Hulpmiddelen en diensten 530 672
Verblijf en opvang - -
Totaal Wmo-maatwerkvoorzieningen 2.737 3.042
Figuur 4.5: Begrote en gerealiseerde kosten van de Wmo-maatwerkvoorzieningen in duizend euro's (absoluut).

Extra toelichting: Bij de centrumgemeenten voor beschermd wonen bevat de categorie verblijf en opvang ook de regionale kosten voor beschermd wonen.


Jeugdzorg

Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor de Jeugdwet en de bekostiging daarvan. De volgende tabel geeft een indicatie van de gemaakte kosten voor jeugdzorg. Dit kan worden vergeleken met uitgaven voor andere groepen in het sociaal domein.

Begrote kosten
2019
Gerealiseerde kosten
2019
Jeugdhulp zonder verblijf- geleverd door wijkteam 2.438 2.824
Jeugdhulp zonder verblijf- niet geleverd door wijkteam - -
Jeugdhulp met verblijf 507 517
Kinderbeschermingsmaatregelen 196 234
Jeugdreclassering - -
Activiteiten in het preventieve justitiële kader - -
Totaal Jeugdzorg 3.142 3.576
Figuur 4.6: Begrote en gerealiseerde kosten Jeugdzorg in duizend euro's (absoluut).

Achtergronden bij de cijfers

Gebruik van de monitor gegevens

In dit rapport wordt informatie getoond ter ondersteuning van het gezamenlijke leer- en ontwikkelproces in het sociaal domein. De cijfers bieden een basis voor het noodzakelijke gesprek tussen bestuurders, beleidsmakers, uitvoerders, aanbieders, inwoners, etc. Ter ondersteuning van dit gesprek worden in dit rapport gemeenten ook onderling met elkaar vergeleken.

De vergelijking heeft altijd een signaalfunctie. Het is niet de bedoeling ranglijsten te maken. Gemeenten hebben diverse uitgangssituaties en maken hun eigen beleidskeuzes. Het is daarom niet mogelijk om zondermeer een waardeoordeel aan de vergelijkingen te hangen. Een juist begrip van de context en de keuzes is noodzakelijk om de resultaten uit dit rapport goed te interpreteren en te gebruiken.

Bij dit rapport is een definitielijst en een indicatorenoverzicht beschikbaar. Op vngrealisatie.nl vindt u meer relevante informatie.

Bronnen van informatie

De cijfers over de Wmo-maatwerkarrangementen zijn door gemeenten bij het CBS aangeleverd. Gemeenten doen dit op vrijwillige basis op grond van de VNG-resolutie van 18 juni 2014 om gezamenlijk een beeld op te bouwen van de resultaten van de transformatie in het Sociaal Domein. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het controleren van de cijfers en besluiten om deze al dan niet te publiceren. Deze cijfers worden specifiek voor de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein uitgevraagd, maar worden door het CBS ook gebruikt voor onder meer de monitor abonnementstarief.

In de onderstaande tabel ziet u per onderdeel het aantal publicerende gemeenten:

Eerste halfjaar 2019 Tweede halfjaar 2019 Eerste halfjaar 2020 Tweede halfjaar 2020
Wmo 329 331 334 322

Zie in dit overzicht welke gemeenten de Wmo basisset gepubliceerd hebben. Inmiddels levert een voldoende aantal gemeenten de Wmo basisset aan bij de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein waardoor het totaalbeeld van deze deelnemende gemeenten al een redelijke benadering is voor een betrouwbaar landelijk beeld.

Hergebruik

Naast de specifiek door gemeenten aangeleverde informatie wordt in dit rapport gebruik gemaakt van cijfers die al beschikbaar zijn. Het gaat om de volgende bronnen:

  • Het cliëntervaringsonderzoek Wmo is wettelijk verplicht. Deze cijfers worden door vrijwel alle gemeenten jaarlijks aangeleverd.
  • De cijfers over jeugdzorg worden op grond van de wettelijke verplichting beleidsinformatie jeugd door jeugdzorginstellingen bij het CBS aangeleverd.
  • Ook de cijfers over de Participatiewet-uitkeringen en re-integratievoorzieningen worden wettelijk verplicht door gemeenten bij het CBS aangeleverd via de Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) en Statistiek Re-integratie door Gemeenten (SRG).
  • Er wordt ook gebruik gemaakt van demografische gegevens van het CBS.
  • Meer informatie over de gezondheidscijfers die door GGD GHOR zijn gerealiseerd vindt u hier.
  • Voor meer data over zorggebruik van Vektis zie het dashboard.
  • Het cliëntervaringsonderzoek Wmo is wettelijk verplicht. Deze cijfers worden door vrijwel alle gemeenten jaarlijks aangeleverd.
  • De cijfers over jeugdzorg worden op grond van de wettelijke verplichting beleidsinformatie jeugd door jeugdzorginstellingen bij het CBS aangeleverd.
  • Ook de cijfers over de Participatiewet-uitkeringen en re-integratievoorzieningen worden wettelijk verplicht door gemeenten bij het CBS aangeleverd via de Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) en Statistiek Re-integratie door Gemeenten (SRG).
  • Er wordt ook gebruik gemaakt van demografische gegevens van het CBS.
  • Meer informatie over de gezondheidscijfers die door GGD GHOR zijn gerealiseerd vindt u op https://www.gezondheidinsociaaldomein.nl/.
  • Voor meer data over zorggebruik van Vektis zie het dashboard https://waarstaatjegemeente.nl/dashboard/Zorggebruik/.

Extra toelichting bij de tabellen

Hieronder vindt u ter ondersteuning van een juiste interpretatie van de cijfers, de nodige extra achtergrondinformatie.

Feitelijke toelichting
Gemeenten worden geadviseerd een feitelijke toelichting te geven op de cijfers. Dit kan gebruikers, zoals raadsleden, beleidsmedewerkers of inwoners, helpen om de cijfers beter te interpreteren en toe te passen. De toelichting wordt door gemeenten zelf geschreven, VNG Realisatie voert hierop geen redactie. Een stappenplan voor het schrijven en toevoegen van een feitelijke toelichting kunt u vinden in deze handleiding.

Referentiegroepen
De gegevens van een gemeente worden vergeleken met de gegevens van gemeenten die een vergelijkbare grootteklasse hebben. Er worden op Waarstaatjegemeente.nl vijf grootteklassen onderscheiden. Zie het overzicht om te zien welke gemeenten tot welke grootteklassen behoren.

De referentiegroep in dit rapport staat vast. Voor de gemeente Asten geldt de grootteklasse <25.000 inwoners. In de database en op het dashboard van Waarstaatjegemeente.nl kunnen ook andere vergelijkingen worden gemaakt, bijvoorbeeld op regioniveau of met een buurgemeente. In de database vindt u de volledige datasets van de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein en kunt u alle mogelijke vergelijkingen en presentaties maken.

Referentiegroep Wmo
Wanneer een gemeente Wmo-cijfers publiceert, dan worden deze cijfers vergeleken met de cijfers van andere gemeenten die Wmo-cijfers publiceren over dezelfde periode. Hiervoor worden ook de vijf grootteklassen onderscheiden. Het aantal gemeenten dat Wmo-cijfers publiceert is nog in ontwikkeling (zie de tabel hierboven).

Samenvoegen Wmo-voorzieningen
Het komt regelmatig voor dat bij het CBS bestanden aangeleverd worden waarin van één persoon meerdere Wmo-records zitten van hetzelfde type productcode. Het gaat bijvoorbeeld om meerdere taxiritten binnen de productcategorie vervoersvoorzieningen. Het CBS voegt in dergelijke gevallen records samen tot arrangementen van dezelfde productcategorie. Eind 2020 zijn de regels met betrekking tot toewijzingsnummers voor gemeenten veranderd. Ook zijn in die periode alle registraties afgesloten en opnieuw opgestart, wat naar verwachting gevolgen gaat hebben voor het aantal records dat per cliënt door gemeenten wordt aangeleverd. Daarom zijn de regels voor het samenvoegen van records na overleg tussen VNG en CBS aangescherpt. Deze regels zullen vanaf de aanlever-ronde H22020 doorgevoerd worden en zullen ook met terugwerkende kracht toegepast worden op H12020. Hierdoor ontstaat een eenduidig beeld over 2020. Zie voor meer informatie www.cbs.nl/gmsd

Lege kolommen
Als gemeenten over een bepaalde periode geen Wmo-cijfers hebben aangeleverd en/of gepubliceerd blijven deze kolommen in de tabel leeg.

Nalevering en correctie Wmo-gegevens
Gemeenten kunnen bij iedere aanleverronde de cijfers over de voorafgaande aanleverperiode corrigeren. Dit kan invloed hebben op eerder gepubliceerde gegevens. Na deze tweede aanleverperiode worden de cijfers definitief vastgesteld door het CBS.

De hier gepubliceerde cijfers over het tweede halfjaar van 2020 zijn dan ook voorlopig. Bij publicatie van de cijfers over het eerste halfjaar van 2021 worden de cijfers van het tweede halfjaar van 2020 definitief vastgesteld.

Indeling personen en huishoudens
Voor de indeling van personen en huishoudens in gemeenten wordt uitgegaan van de gemeentecode zoals die door de deelnemende gemeente bij CBS is aangeleverd. De indeling van personen en huishoudens naar gemeente bij de stapelingstabellen sociaal domein gebeurt op basis van het laatst bekende adres in de verslagperiode in de Basisregistratie Personen (BRP).

Relatieve cijfers
De relatieve cijfers worden berekend per 1.000 inwoners ten opzichte van het totaal aantal inwoners in een gemeente. Bij berekeningen per doelgroep (zoals leeftijd, geslacht of etniciteit) worden de relatieve cijfers berekend per 1.000 inwoners ten opzichte van de doelgroep.

Voorbeeld: Bij het aantal Wmo-maatwerkarrangementen uitgesplitst naar de leeftijdscategorie 75+ is het cijfer berekend ten opzichte van het aantal 75-plussers in de gemeente (en dus niet ten opzichte van het totaal aantal inwoners van de gemeente).

Verantwoording
Op Waarstaatjegemeente.nl kunt u data vinden over onder andere de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein. Als bezoeker heeft u keuze om aan te vinken vanuit welk demografisch vergelijkingsniveau u de cijfers zou willen zien. U kunt kiezen uit gemeentegrootte, provincie, gemeente etc. De keuze die u hierin maakt heeft effect op de gemiddelden en de correctheid/foutmarge van de berekende gemiddelden. Wanneer er gemiddelden worden berekend en er gekeken wordt naar cijfers over de jaren heen, dan kan er een vertekend beeld ontstaan. Voor sommige gemeenten is namelijk niet altijd de halfjaarlijks data beschikbaar. Hierdoor kan het voorkomen dat wanneer u bijvoorbeeld provincies met elkaar vergelijkt, dat u vanuit provincieperspectief over de jaren heen een daling ziet. Terwijl wanneer u de gemeenten afzonderlijk van elkaar zou bekijken, u een stijging zou zien per gemeente. Daarnaast bestaat een vergelijkingsgebied niet uit hetzelfde aantal gemeenten. Zo is het gemiddelde van een provincie, bestaand uit een klein aantal gemeenten, gevoeliger voor het aantal ontbrekende gemeentecijfers dan het gemiddelde van een provincie bestaand uit een groot aantal gemeenten. Bij een vergelijkingsgebied wordt namelijk alleen het gemiddelde berekend van de beschikbare getallen.

Voorbeeld: Provincie X bestaat uit 4 gemeenten. Over de eerste helft van 2019 hebben alle gemeenten die deel uitmaken van de provincie cijfers aangeleverd over het aantal WMO-cliënten. Over de tweede helft van 2019 hebben drie van de vier gemeenten cijfers aangeleverd. Gemeente 3 (zie tabel hieronder) heeft geen cijfers aangeleverd. Als we bij iedere gemeente afzonderlijk naar het verschil kijken tussen de cijfers over de eerste helft van 2019 en de tweede helft van 2019, dan is er een toename te zien van het aantal Wmo-cliënten. Wanneer we naar de cijfers kijken op provincieniveau, dan is er juist een daling zichtbaar van het aantal Wmo-cliënten in de tweede helft van 2019. Deze daling is het gevolg van het ontbreken van de data van gemeente 3.


Aantal inwoners Aantal Wmo-cliënten eerste halfjaar 2019 Aantal Wmo-cliënten tweede halfjaar 2019
Gemeente 1 20.000 1.450 1.503
Gemeente 2 40.000 3.300 3.309
Gemeente 3 17.000 800 -
Gemeente 4 55.000 3.400 3.480
Provincie X 132.000 8.950 8.292

Afronding
De cijfers 0 t/m 4 worden afgerond naar een 0 en de cijfers 5 t/m 9 worden afgerond naar een 10. Alle overige cijfers zijn afgerond op vijftallen. Hierdoor kan het voorkomen, dat de som van de detailgegevens afwijkt van het totaal.

Wordt er in de opgevraagde tabel geen getal maar een "?" of "-" weergegeven, dan is het cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of niet toonbaar i.v.m. herleidbaarheid tot personen (privacy).

De relatieve aantallen per 1.000 inwoners worden uitgerekend op basis van de afgeronde absolute aantallen. Hierdoor wordt voorkomen dat de relatieve aantallen zelf ook nog eens afgerond moeten worden op vijf- of tientallen vanuit privacy-overwegingen. Met name bij grote gemeenten zou afronding van de relatieve cijfers een nodeloze verslechtering zijn van de nauwkeurigheid.

Opmerking bij cijfers Jeugdzorg
Het onderscheid tussen preventief handelen en ambulante hulp is niet scherp te maken. Het oordeel wordt overgelaten aan de professional, waarbij mogelijk een onderscheid wordt gemaakt tussen vrij- en niet-vrij toegankelijke jeugdhulp. Aangezien dit per gemeente verschilt, leidt dit waarschijnlijk tot verschillen per gemeente in de registratie van jeugdhulp zonder verblijf, geleverd door het wijkteam. Bij de overige vormen van jeugdhulp zonder verblijf speelt dit niet.